De vader van X overlijdt in 2020. Vader heeft een testament opgemaakt waarin een quasi-wettelijke verdeling is opgenomen. Aan deze quasi-wettelijke verdeling wordt uitvoering gegeven. Hierdoor zijn alle goederen van de nalatenschap toegedeeld aan moeder onder de verplichting voor haar om alle schulden over te nemen en als eigen schuld te betalen. Verder blijft moeder een bedrag schuldig aan haar kinderen wegens overbedeling. De ouderlijke woning behoort tot de boedel en wordt gehuurd door X. Bij het vaststellen van de waarde van de woning voor de erfbelasting voor het erfdeel van X past de inspecteur niet de leegwaarderatio toe. Volgens de inspecteur is, door de quasi-wettelijke verdeling, namelijk geen sprake van een verkrijging krachtens erfrecht.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X een vordering krachtens erfrecht heeft verkregen in de zin van art. 1 lid 1 onder 1 SW 1956. Het hof wijst daarbij naar de wetsgeschiedenis en acht ook het uitvoeren van de wil van vader door moeder van belang. Voor de heffing van erfbelasting moet daarom rekening worden gehouden met de (onderbedelings)vordering die uit de quasi-wettelijke verdeling voortvloeit. Het hof overweegt hierbij dat alle goederen van de nalatenschap aan moeder zijn toebedeeld onder de verplichting om alle schulden voor haar rekening te nemen en de erfgenamen een vordering op moeder hebben gekregen ter grootte van hun respectieve erfdeel. Er is dan verdeeld als ware sprake van een wettelijke verdeling. Hiermee is uitvoering gegeven aan de wil van vader. Een en ander betekent dat geen sprake is van een contractuele verdeling, maar van een verdeling die zijn grondslag vindt in Boek 4 BW. X heeft een vordering gekregen op haar moeder, en geen onverdeeld eigendom in de woning waarin zij woonde. Het gelijk is aan X.
Wetingang:
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Schenk- en erfbelasting
Editie: 30 juni
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus