Rechtbank Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de aandelen in Q BV in 2016 als lucratief belang moeten worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt de stelling van X dat de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een samenhangend geheel vormen.

X werkt in dienstbetrekking als CEO bij Q BV. Hij neemt in 2013 deel aan een managementparticipatieplan en verkrijgt voor bijna € 2 mln 3,5% van de aandelen B in Q BV. Hierbij worden ook putopties toegekend, die het recht geven om de aandelen B ter verkoop aan te bieden tegen de op het verkoopmoment geldende marktwaarde. Met de inspecteur wordt afgesproken dat de aandelen B, evenals de aanverwante putopties, tot de box 3-grondslag behoren. Expliciet is overeengekomen dat de aandelen B en de putopties niet voldoen aan de voorwaarden van de lucratiefbelangregeling (art. 3.92b Wet IB 2001). In 2016 stelt Q BV, in verband met haar slechte financiële situatie, X in de gelegenheid om putopties uit te oefenen, waarbij X 50% van de aandelen B tegen de originele aankoopprijs kan verkopen. X oefent de optie vervolgens uit in 2017. In zijn IB-aangifte 2017 neemt X het aandelenbelang op als een lucratief belang en verantwoordt hij een verlies uit lucratief belang van € 2 mln. De inspecteur corrigeert de aangifte. Hij is van mening dat geen sprake is van een lucratief belang.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de aandelen in Q BV in 2016 als lucratief belang moeten worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt de stelling van X dat de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een samenhangend geheel vormen en dat de putopties uit 2016 als een voortzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt. Volgens de rechtbank staat vast dat de in 2013 verkregen aandelen en putopties geen lucratief belang vormen. Ook liep X met de putopties uit 2013 een investeringsrisico, wat niet het geval is bij de putopties uit 2016, die alleen maar werden afgegeven om een vermogensverlies op de aandelen bij X te voorkomen. De putopties uit 2016 en de putopties uit 2013 verschillen naar hun aard dus aanzienlijk van elkaar. De aandelen kwalificeren ook na toekenning van de putopties 2016 niet als lucratief belang. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92B

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 30 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen