Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen. De rechtbank wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, V-N 2023/4.7.
X en haar partner Y houden ieder de helft van de aandelen in A BV. X en Y hebben in verband met de aankoop van de eigen woning een schuld aan A BV van € 700.000. Na verkoop van de woning in 2016 ontstaat een restschuld van € 220.000. Tevens hebben zij een rekening-courantschuld van € 418.842 ultimo 2014. Bij de beoordeling van de IB-aangifte 2014 stelt de inspecteur vragen over de schuldpositie. Hij corrigeert de aangifte vervolgens met een uitdeling van € 23.500 en deelt mee dat hij voor de jaren 2015 - 2018 een uitdeling van € 125.000 per jaar in aanmerking zal nemen. X is het niet eens met de uitdelingen die de inspecteur in 2016 en 2017 in aanmerking neemt.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen. De rechtbank wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, V-N 2023/4.7. Volgens de rechtbank is de mededeling van de inspecteur dat hij uitdelingen in aanmerking zal nemen en het uitblijven van een reactie van X op dit voornemen voor de jaren 2014 en 2015 onvoldoende om aan te nemen dat A BV haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. De geleende bedragen hebben het vermogen van de vennootschap in 2016 of 2017 niet definitief verlaten, zodat in die jaren geen sprake is van een onttrekking en daarmee dus ook niet van een winstuitdeling. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.13
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 30 juni
Informatiesoort: VN Vandaag