X is eigenaar van een twee-onder-één-kapwoning. Hij bepleit verlaging van de WOZ-waarde van € 288.000 naar € 250.000.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarde niet aannemelijk heeft gemaakt, terwijl X de door hem bepleite waarde dat wel aannemelijk heeft gemaakt. Het hof beoordeelt de door beide partijen gebruikte referentieobjecten. Van de door de heffingsambtenaar gehanteerde referenties vallen twee woningen af vanwege een afwijkende ligging. Een derde referentie wordt ook buiten beschouwing gelaten, omdat de heffingsambtenaar de door X betwiste gebruiksoppervlakte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De resterende twee referentiewoningen onderbouwen de vastgestelde WOZ-waarde niet. Van de vijf referentiewoningen van X zijn er twee niet bruikbaar maar de overige drie onderbouwen de door X bepleite waarde van € 250.000. Het hof verklaart het hoger beroep van X gegrond en kent een proceskostenvergoeding toe zonder de beperkingen uit de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm nu in een eerdere zaak al is geoordeeld dat de gemachtigde van X heeft bewezen dat op het niveau van het bedrijfsmodel niet op basis van no cure no pay wordt gewerkt. Het enkele feit dat in deze zaak nog wel op die basis zou zijn geprocedeerd, maakt dat niet anders.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 22
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 30 juni
Informatiesoort: VN Vandaag