Het onzakelijkheidsvermoeden dat onderdeel is van de antimisbruikbepaling in de VPB-splitsingsfaciliteit, is onverenigbaar met de Fusierichtlijn. Zie HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:298, BNB 2026/62, V-N 2026/11.9.
De omstandigheid dat aandelen in de gesplitste rechtspersoon of in een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing, kort gezegd, worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam, is onvoldoende voor het vermoeden dat zakelijke overwegingen voor een splitsing ontbreken. Het oordeel van de Hoge Raad geldt ook voor het inhoudelijk identieke onzakelijkheidsvermoeden dat deel uitmaakt van de antimisbruikbepaling in de VPB-bedrijfsfusiefaciliteit. Zoals al werd verwacht (zie de aantekening in V-N 2026/11.9), zal de wetgever art. 14 lid 4 derde zin en art. 14a lid 6 derde zin Wet VPB 1969 laten vervallen (Bijlage 1 bij ‘Strategische agenda staatssecretaris van Financiën 2026-2030’).
Voor belastingplichtigen is zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van (voorgenomen) rechtshandelingen een groot goed, zeker als de financiële belangen aanzienlijk zijn. Wat betreft de fusie- en splitsingsregelingen in de Wet VPB 1969 en Wet IB 2001 met een ‘Fusierichtlijn-achtergrond’, bestaan verschillende mogelijkheden om zekerheid vooraf te verkrijgen. Zo kan men (enigszins onzuiver geformuleerd) de inspecteur vóór de fusie of splitsing verzoeken te bevestigen dat de antimisbruikbepaling niet in de weg staat aan fiscale begeleiding. De inspecteur beslist daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bedrijfsfusie- en de splitsingsregeling in de VPB bevatten daarnaast de mogelijkheid om zekerheid vooraf te verkrijgen wanneer het plan bestaat om aandelen te vervreemden zoals omschreven in art. 14 lid 4 derde zin respectievelijk art. 14a lid 6 derde zin Wet VPB 1969 . Men verzoekt de inspecteur dan te bevestigen dat de bedrijfsfusie of splitsing, ondanks die vervreemding, niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Ook op dit verzoek beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Het schrappen van het onzakelijkheidsvermoeden in art. 14 lid 4 en art. 14a lid 6 Wet VPB 1969, betekent mogelijk ook dat laatstgenoemde zekerheid-vooraf-mogelijkheid sneuvelt. Ik pleit voor een alternatief. Zie ook G.C. van der Burgt, Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 10.4.7.13. In dit alternatief blijft het mogelijk om een verzoek in te dienen bij de inspecteur met de vraag of aannemelijk is dat de bedrijfsfusie of splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, ingeval aandelen in de overdrager/gesplitste rechtspersoon of in de overnemer/een verkrijgende rechtspersoon na de bedrijfsfusie respectievelijk splitsing worden vervreemd. Deze zekerheid-vooraf-mogelijkheid zou idealiter open moeten staan ongeacht of wordt vervreemd aan een (al dan niet verbonden) natuurlijke persoon of rechtspersoon en ongeacht binnen welke termijn dit gebeurt. Het verzoek moet vanzelfsprekend worden ingediend vóór de voorgenomen vervreemding en de inspecteur beslist daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit laatste biedt meer formele waarborgen dan regulier vooroverleg.
Ook na het arrest van 27 februari 2026 kan een vervreemding van aandelen na een bedrijfsfusie of splitsing in bepaalde gevallen discussies over misbruik aanwakkeren. Hopelijk creëert de wetgever de hier bepleite zekerheid-vooraf-mogelijkheid! Het biedt in elk geval soelaas in herkansingsgevallen, waarin vóór de bedrijfsfusie of splitsing niet is verzocht te bevestigen dat, kort gezegd, geen sprake is van misbruik.