De overdrachtsbelasting kent verschillende vrijstellingen voor de verkrijging van vastgoed in het  kader van onder andere inbrengen, fusies, juridische splitsingen en interne reorganisaties.

Die vrijstellingen hebben met elkaar gemeen dat daarop ‘ontbindende’ voorwaarden van toepassing zijn, die ertoe strekken misbruik van die vrijstellingen tegen te gaan. Deze voorwaarden, die zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971, kunnen betrekking hebben op het voorzetten van activiteiten en/of op het aanhouden van in het kader van een inbreng, fusie, splitsing of interne reorganisatie uitgereikte aandelen.

Die voortzettings- en aanhoudingseisen zijn ‘hard’; overtreding daarvan heeft tot gevolg dat ter zake van zo’n inbreng, fusie, splitsing of interne reorganisatie alsnog overdrachtsbelasting dient te worden voldaan. Daarop bestaan wel de nodige uitzonderingen, maar die bieden lang niet altijd uitkomst. Bovendien komt in de regel geen enkele betekenis toe aan eventuele bijzondere omstandigheden (overlijden, echtscheiding, of faillissement) waaronder dat gebeurt.

In het verleden hebben John Seerden en ik erop gewezen dat dit tot onredelijke gevolgen kan leiden (zie onze column ‘Coronacoulance in de overdrachtsbelasting’ op TaxLive).

Hardheid brengt helderheid met zich mee – een belastingplichtige weet waar hij aan toe is –, maar zaligmakend is het niet. Recente rechtspraak geeft aanleiding om bij die hardheid vraagtekens te zetten. In het Belastingrente-arrest HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21 wijst de Hoge Raad erop dat een rechter een algemeen verbindend voorschrift – wat het uitvoeringsbesluit is – kan toetsen aan de beginselen van zorgvuldige besluitvorming, deugdelijke motivering en het evenredigheidsbeginsel.

Kijkend naar diverse toelichtingen (zie Stb. 1999, 144, Stb. 2011, 677, Stb. 2013, 224 en Stb. 2024, 441) kan worden geconstateerd dat aan overtredingen als gevolg van bijzondere omstandigheden maar zeer mondjesmaat aandacht is besteed, terwijl het in geen enkel geval heeft geleid tot een gereguleerde verzachting in het uitvoeringsbesluit. Kortom, of dergelijke omstandigheden steeds adequaat zijn meegewogen bij de vormgeving van die vrijstellingen, vraag ik mij af.

Voorts heeft de Hoge Raad in zijn op de oude splitsingsvrijstelling (van vóór 1 juli 2025) betrekking hebbende arrest HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026, V-N 2026/15.11 aangegeven dat die vrijstelling deel uitmaakt van een regeling tot fiscale begeleiding van juridische splitsingen, met als uitgangspunt dat een door bedrijfseconomische overwegingen ingegeven juridische splitsing niet mag worden belemmerd door de fiscaliteit (zie Kamerstukken II 1997/98, 25709, nr. 3, p. 2).

Laten de harde voortzettings- en aanhoudingseisen, die sinds 1 juli 2025 gelden voor de nieuwe splitsingsvrijstelling, zich wel steeds goed verenigen met dat uitgangspunt? Zeker bij onverwachte of onbedoelde omstandigheden (overlijden, echtscheiding, of faillissement) oogt het alsnog heffen van overdrachtsbelasting nogal onredelijk, temeer daar het niets zegt over de bedrijfseconomische wenselijkheid van de oorspronkelijke inbreng, fusie, splitsing of interne reorganisatie.

Een en ander overziend rijst de vraag of de harde aanhoudings- en voortzettingseisen in het uitvoeringsbesluit onder alle omstandigheden wel verbindend (dienen te) zijn. Maar waarom zou een rechter zich daarover moeten buigen, als zich een redelijker alternatief laat denken, waarin ruimte is voor tegenbewijs in bijzondere situaties? Sterker nog, de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting kent zoiets al.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer

22

Gerelateerde artikelen