De Hoge Raad oordeelt dat de accijnsvrijstelling van art. 66 lid 1 onderdeel a Wet op de accijns bij schending van een formeel vereiste alleen mag worden geweigerd wanneer sprake is van opzettelijke belastingfraude of wanneer dat formele gebrek voorkomt dat kan worden vastgesteld dat aan de materiële voorwaarden is voldaan.

Aan X zijn naheffingsaanslagen accijns en voorraadheffing opgelegd, omdat de diesel in de bunkertanks van zijn schip te weinig merkstof Solvent Yellow 124 bevatte. Hof Arnhem-Leeuwarden stelt de inspecteur in het gelijk. X gaat in cassatie. De Hoge Raad stelt het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen (HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.16). Het Hof van Justitie EU oordeelt dat Nederland in strijd met het EU-recht handelt door aan de onjuiste markering van de gasolie het gevolg te verbinden dat de bunkervrijstelling niet van toepassing is (HvJ EU 13 maart 2025, V-N 2025/14.15). Van belang is dat aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling is voldaan, zoals in het geval van X het gebruik als brandstof voor de commerciële vaart op binnenwateren van de EU. Bij gebreke van aanwijzingen voor fraude staat een onjuiste markering niet in de weg aan de toepassing van de vrijstellingen of verlaagde accijnstarieven.

De Hoge Raad oordeelt na de beantwoording van de prejudiciële vragen dat de accijnsvrijstelling van art. 66 lid 1, onderdeel a, Wet op de accijns bij schending van een formeel vereiste alleen mag worden geweigerd wanneer sprake is van opzettelijke belastingfraude of wanneer dat formele gebrek voorkomt dat kan worden vastgesteld dat aan de materiële voorwaarden is voldaan.. Met dit laatste geval heeft het HvJ bedoeld de situatie dat de belastingautoriteit niet heeft kunnen vaststellen dat aan de materiële vereisten voor vrijstelling is voldaan als gevolg van het niet-voldoen aan het formele vereiste. Wanneer de belastingautoriteit echter over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat aan de materiële vereisten voor vrijstelling is voldaan, mag zij met betrekking tot het recht van de belastingplichtige op vrijstelling geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. De opvatting van de staatssecretaris dat het hogere zwavelgehalte en de vermenging met rode gasolie aanwijzingen voor misbruik zouden zijn, berust op een onjuiste lezing van het arrest van het HvJ EU. Omdat vaststaat dat X de gasolie overeenkomstig het doel van de vrijstelling gebruikte voor de aandrijving van zijn schip en in de eerdere cassatieprocedure is geoordeeld dat X geen fraude heeft gepleegd, had de Inspecteur de vrijstelling niet mogen weigeren.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de accijns artikel 2

Wet op de accijns artikel 66

Wet op de accijns artikel 80

Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving artikel 13

Richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit artikel 14

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Europees belastingrecht, Accijns en verbruiksbelastingen

Editie: 12 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

61

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen