Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X uiteindelijk de objectieve onderneming ‘horen’ heeft voortgezet en dat in dat kader de belangen bij de overige ondernemingen van D bv zijn uitgeruild. De activiteiten van de drie dochtervennootschappen van D bv bij elkaar vormen tezamen niet één objectieve onderneming.

A, de moeder van belanghebbende, X, houdt de aandelen in E bv die 49% van de aandelen houdt in D bv. De overige aandelen in D bv zijn, via F bv, in handen van een neef van X. D bv bezit de aandelen in diverse vennootschappen die hoor- en optiekcentra exploiteren. In 2011 volgt een ruziesplitsing, waarbij de optiekcentra worden ondergebracht bij D1 bv en de hoorcentra bij D2 bv. Hierbij wordt E bv houder van de aandelen D2 bv en F bv houder van de aandelen D1 bv. In 2013 schenkt A de aandelen B bv aan X. B bv houdt op dat moment de aandelen in D2 bv. Ter zake van deze schenking wordt een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De inspecteur verleent de vrijstelling voor 49%. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart het beroep van X ongegrond. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat X recht heeft op toepassing van de BOR voor het volledige belang in de onderneming. De Hoge Raad oordeelt dat per onderneming moet worden beoordeeld of A aan de indirecte bezitseis voldoet. Het hof had de stelling van de inspecteur, dat de dochtermaatschappijen van D bv voorafgaande aan de splitsing minimaal twee objectieve ondernemingen dreven, moeten beoordelen. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X uiteindelijk de objectieve onderneming ‘horen’ heeft voortgezet en dat in dat kader de belangen bij de overige ondernemingen van D bv zijn uitgeruild. X maakt met hetgeen hij aanvoert niet aannemelijk dat sprake is van één centrale leiding. Er is bij horen en zien geen sprake van één onderneming. Het hof overweegt hierbij ook dat X niet onderbouwd kan aangeven hoe de besluitvorming binnen de door hem gestelde centrale leiding van het concern plaatsvindt, hoe de managementfees van de door hem gestelde centrale leiding worden bepaald en hoe deze worden verdeeld over de verschillende dochtervennootschappen. Ook onderbouwt X niet hoe de kosten van onderling uitgeleend personeel worden doorbelast. Er is geen sprake van een zodanige samenhang dat de activiteiten van de drie dochtervennootschappen van D bv bij elkaar tezamen één objectieve onderneming vormen. De aanslag is correct. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Lees ook het thema De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Successiewet 1956 35d

Successiewet 1956 35c

Successiewet 1956 35b

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Editie: 25 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

1203

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen