De Hoge Raad oordeelt dat de ingebrekestelling enerzijds dient als attendering en aansporing jegens het bestuursorgaan en anderzijds bepalend is voor de aanvang van de termijn waarover de dwangsom is verschuldigd. Het bestuursorgaan verbeurt geen tweede dwangsom als het dwangsombesluit uitblijft.

X verzoekt op 23 maart 2018 om een ambtshalve vermindering van de IB-aanslag over 2014. Op 7 december 2018 stelt X de inspecteur in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Op 17 mei 2019 volgt een nieuwe ingebrekestelling inzake het “verzoek tot herziening van IB/PVV 2014”. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de inspecteur de maximale dwangsom verbeurd van € 1442. De aanspraak van X op de tweede dwangsom wordt niet gehonoreerd. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de ingebrekestelling enerzijds dient als attendering en aansporing jegens het bestuursorgaan en anderzijds bepalend is voor de aanvang van de termijn waarover de dwangsom is verschuldigd. De ingebrekestelling is geen verzoek om een (dwangsom)besluit te nemen en is zelf geen aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb. Het bestuursorgaan verbeurt dus geen tweede dwangsom als het dwangsombesluit uitblijft. Tegen het uitblijven ervan kan wel beroep worden ingesteld. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 6:12

Algemene wet bestuursrecht 6:2

Algemene wet bestuursrecht 4:18

Algemene wet bestuursrecht 4:17

Algemene wet bestuursrecht 1:3

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 24 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

568

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen