In 2008 koopt X een landgoed met twee vrijstaande woningen, woning A en woning B, waarvoor hypothecaire leningen zijn afgesloten. Ten tijde van de aankoop van het landgoed was X getrouwd met Y. X en haar echtgenoot Y zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de leningen. In 2012 zijn X en Y gescheiden. In 2016 heeft X € 140.843 aan hypotheekrente betaald, waarvan € 70.422 uit ontvangen alimentatie. X heeft de volledige hypotheekrente als aftrekbare kosten opgevoerd in haar aangifte IB/PVV 2016. De inspecteur heeft de renteaftrek beperkt tot € 66.567, omdat de rentekosten niet volledig op X drukken. X gaat in bezwaar en beroep. Rechtbank Gelderland verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep is in geschil of de inspecteur de renteaftrek voor de eigenwoningschuld van € 133.133 voor woning A terecht heeft beperkt tot € 66.567.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2025/24.1.2) oordeelt dat de renteaftrek voor de eigenwoningschuld voor woning A beperkt blijft tot het deel dat uit ontvangen alimentatie is voldaan. De wet vereist dat de rentekosten op de belastingplichtige drukken, wat betekent dat de kosten uit eigen middelen moeten worden voldaan zonder verhaalsmogelijkheid. Omdat Y de helft van de hypotheekrente heeft betaald uit hoofde van een echtscheidingsconvenant, drukt de hypotheekrente niet volledig op X. De inspecteur heeft daarom terecht enkel de hypotheekrente in aftrek toegestaan die ziet op de eigen woning en die X heeft voldaan uit de door haar ontvangen alimentatie. Het hoger beroep van X is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Natuurschoonwet 1928 artikel 1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.110
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.101