X is een openbaar lichaam en verleent diensten aan 21 waterschappen. X maakt bezwaar tegen de voldoening op aangifte. In beroep oordeelt de rechtbank dat aan de vereisten van de koepelvrijstelling is voldaan. In hoger beroep is in geschil of X het precieze aandeel in de gezamenlijke kosten terugvordert voor verleende diensten. X stelt dat het vaststellen van een verdeelsleutel altijd in enige mate arbitrair is. Volgens de inspecteur moeten de uitgaven per project zo exact mogelijk worden toegerekend en leiden de diensten tot concurrentieverstoring. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het feit dat de verdeelsleutel deels arbitrair is, niet betekent dat niet enkel terugbetaling van het exacte aandeel in de uitgaven wordt gevorderd. De verdeelsleutel wordt pas gebruikt als het daadwerkelijke gebruik niet op andere wijze kan worden bepaald. X bewijst dat haar diensten niet concurrentieverstorend zijn en kan de koepelvrijstelling toepassen. Doordat het algemeen vermoeden van art. 9a Uitv. besch. in strijd is met jurisprudentie van het Hof van Justitie oordeelt het hof dat er géén sprake is van concurrentieverstoringen. Het hoger beroep is ongegrond. De staatssecretaris gaat in cassatie.
Advocaat-generaal Ettema concludeert dat het algemeen vermoeden dat Nederland heeft neergelegd in art. 11 lid 8 Wet OB 1968 en art. 9a Uitv. besch., dat de benoemde diensten leiden tot concurrentieverstoring, in strijd is met het EU-recht. Volgens de A-G brengen deze bepalingen namelijk automatisch en onvermijdelijk mee dat de aangewezen diensten naar hun aard van de toepassing van de koepelvrijstelling worden uitgesloten. Daarbij wordt niet van belang geacht of in een concrete situatie een reëel gevaar bestaat dat de vrijstelling op zich op korte termijn of in de toekomst tot concurrentievervalsing kan leiden. Hiermee wordt een van de voorwaarden (de voorwaarde omtrent verstoring van de concurrentieverhoudingen) van de vrijstelling van art. 132 lid 1 onderdeel f BTW-richtlijn gedefinieerd. De A-G wijst er op dat Nederland deze ruimte niet heeft. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat eventuele vereenvoudigingsmaatregelen, die op grond van art. 131 BTW-richtlijn zijn toegestaan, geen betrekking mogen hebben op de definitie van de inhoud van de vrijstellingen waarin de BTW-richtlijn voorziet. Nederland heeft dan ook de bevoegdheid die door art. 131 BTW-richtlijn wordt verleend, overschreden. De A-G adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 4 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag