Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen terecht op nihil is vastgesteld en dat een waardevaststelling van afzonderlijke bezittingen en schulden niet aan de orde is wanneer de rendementsgrondslag negatief is.

X sluit op 14 december 2015 een vaststellingsovereenkomst met de inspecteur over de aanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2015. Daarin spreken partijen af dat voor 2016 en volgende jaren de wettelijke fiscale regels gelden voor vorderingen en schulden, met specifieke waarderingsafspraken voor schulden aan derden. X doet aangifte IB/PVV 2016 met bezittingen van € 454.114 en schulden van € 1.557.322. De inspecteur accepteert slechts € 675.000 als schuld en stelt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vast op nihil. In geschil is of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen juist is vastgesteld en of het hof de waarde van afzonderlijke vermogensbestanddelen dient vast te stellen.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat nu tussen partijen vaststaat dat de rendementsgrondslag van bezittingen en schulden een negatief bedrag is, X geen voordeel uit sparen en beleggen geniet. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is terecht op nihil vastgesteld. Een waardevaststelling van de afzonderlijke vermogensbestanddelen door het hof is dan niet aan de orde. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 4 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

38

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen