Rechtbank Den Haag oordeelt dat de gemachtigde voldoet aan de drie voorwaarden voor een no cure no pay model uit HR 17 januari 2025, V-N 2025/5.27, en dus valt onder de lage proceskostenvergoeding van art. 30a Wet WOZ.
Belanghebbende, X, komt in beroep tegen de WOZ-waarde. In beroep bereiken partijen overeenstemming over de waarde, maar verschillen zij nog wel van mening over de proceskostenvergoeding. X stelt dat haar gemachtigde, Previcus, niet langer werkt op basis van no cure no pay en dat zij dus moet worden aangemerkt als een bijzonder geval. In dat geval zou de versoberde proceskostenvergoeding van art.30a Wet WOZ buiten toepassing moeten blijven.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de gemachtigde voldoet aan de drie voorwaarden voor een 'no cure no pay'-model uit HR 17 januari 2025, V-N 2025/5.27 en dus valt onder de lage proceskostenvergoeding van art. 30a Wet WOZ. De Hoge Raad oordeelde dat de verlaagde proceskostenvergoeding niet geldt als bewezen wordt dat de gemachtigde niet voldoet aan de volgende drie kenmerken: 1) optreden op basis van no cure no pay, 2) verplichte afdracht vergoedingen aan gemachtigde en 3) vergaande overdekking. Er is dan sprake van een bijzonder geval. De gemachtigde bestrijdt dat wordt voldaan aan voorwaarde 1). De rechtbank oordeelt echter dat uit de volmachten, de model-offerte en de algemene voorwaarden blijkt dat de gemachtigde van X optreedt op basis van no cure no pay. De startfee en besparingsfee die de gemachtigde in rekening brengt, doen hier niet aan af, omdat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat deze structureel worden toegepast of dat zij een wezenlijk financieel risico voor cliënten vormen.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 14 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag