De Hoge Raad oordeelt dat art. 10a Wet VPB 1969 buiten toepassing moet blijven, en dat de aan X bv opgelegde navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De over de lening verschuldigde rente is aftrekbaar. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af.

Belanghebbende, X bv, maakt deel uit van het Zweedse L-concern. X bv fungeert als houdstermaatschappij van circa 40 buitenlandse deelnemingen. Medio 2004 geeft het L-concern aan dat zij de Italiaanse concernvennootschap C SpA van de Italiaanse beurs wil halen. Voor deze operatie is een bedrag van € 237 mln nodig. Om een en ander te bewerkstelligen richt de Italiaan E, een adviseur van X bv, Dina Italia op. X bv neemt vervolgens de aandelen Dina Italia op 3 mei 2004 van E over en via Dina Italia worden de aandelen ingekocht. X bv stort hierbij € 237 mln in Dina Italia. Het hiervoor benodigde bedrag van € 237 mln leent X bv van B, een concernvennootschap die treasury-activiteiten verricht. X bv brengt de over de lening verschuldigde rente van € 6,5 mln in aftrek. De inspecteur en Hof 's-Hertogenbosch staan aftrek van de rente niet toe. Het Hof van Justitie EU (V-N 2018/11.14) oordeelt – na een prejudiciële vraag van de Hoge Raad (V-N 2016/36.9) - dat het EU-recht zich er tegen verzet dat Nederland niet toestaat dat X bv de rente op een lening die verband houdt met een kapitaalstorting in een dochteronderneming, die in een andere lidstaat is gevestigd, niet in aftrek kan brengen. Het Hof van Justitie EU wijst er daarbij op dat X bv dat wél zou kunnen doen als die dochteronderneming, binnen een fiscale eenheid, ook in Nederland was gevestigd.

De Hoge Raad oordeelt dat art. 10a Wet VPB 1969 buiten toepassing moet blijven, en dat de aan X bv opgelegde navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De Hoge Raad overweegt daarbij dat hij de zogenoemde ‘per‑elementbenadering’ in het verleden ten onrechte heeft verworpen. Uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak van X bv blijkt namelijk dat per element van de fiscale-eenheidsregeling moet worden beoordeeld of zich een ongelijke behandeling voordoet. In het geval van X bv moet op het punt van de renteaftrek een verschil in behandeling worden geconstateerd tussen de situatie van X bv en de daarmee objectief vergelijkbaar te achten situatie van een in Nederland gevestigde moedervennootschap die (een kapitaalstorting in) haar eveneens in Nederland gevestigde dochtervennootschap financiert met een bij een verbonden vennootschap aangegane lening. De over de lening verschuldigde rente is aftrekbaar. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 53

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 49

Wet op de omzetbelasting 1968 15

Wet op de omzetbelasting 1968 10a

Instantie: Hoge Raad

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 22 oktober

Carrousel: Carrousel

  435
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen