Advocaat-generaal Koopman concludeert dat er haken en ogen zitten aan het gebruik van forfaits bij de waardering van certificaten. Volgens de A-G kunnen voor de waardering van certificaten niet dwingend en rechtstreeks de waarderingsvoorschriften van art. 21 leden 5 en 8 SW 1956 worden toegepast.

A schenkt certificaten van aandelen in B bv aan zijn dochter, belanghebbende, X. B bv houdt een vastgoedportefeuille die grotendeels uit woningen bestaat. In de aangifte schenkbelasting wordt de waarde van de verkregen certificaten berekend op € 438.966. X verzoekt daarbij om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. De inspecteur legt vervolgens een aanslag op waarbij de waarde van de certificaten wordt vastgesteld op € 615.125. Hij honoreert het verzoek om toepassing van de BOR niet. Na bezwaar honoreert hij het verzoek wel en past hij in dat kader een vermindering toe van € 31.399. De belaste verkrijging komt dan uit op € 583.678. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het niet-kwalificerend ondernemingsvermogen moet worden verlaagd en stelt de belaste verkrijging vast op € 571.163. Hof Amsterdam oordeelt dat voor het aan de geschonken certificaten toe te rekenen ondernemingsvermogen moet worden uitgegaan van de WOZ-waarden van de onroerende zaken en achtte een waardebepaling met inachtneming van een leegwaarderatio aangewezen. De staatssecretaris gaat in cassatie. Ook X gaat in cassatie.

Advocaat-generaal Koopman concludeert dat er haken en ogen zitten aan het gebruik van forfaits bij de waardering van certificaten. Volgens de A-G kunnen voor de waardering van certificaten niet dwingend en rechtstreeks de waarderingsvoorschriften van art. 21 leden 5 en 8 SW 1956 worden toegepast. De A-G ziet zich daarom voor de keus gesteld om het oordeel van het hof ‘bij te buigen’, zodat het door de beugel kan of om de uitspraak te vernietigen en te verwijzen. De A-G heeft een voorkeur voor de tweede optie. De A-G overweegt daarbij dat de waarde van de certificaten niet rechtstreeks, en al helemaal niet geheel, afhankelijk is van de waarde van de onderliggende woningen. Daarnaast druist het ook in tegen de wens van de wetgever om de waardering van ondernemingen en AB-posities flexibel te houden. De A-G wijst verder ook nog op het risico in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Bepalingen met ficties en forfaits moeten daarom bij voorkeur niet extensief worden uitgelegd. De A-G adviseert de Hoge Raad om het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond te verklaren. Ten aanzien van het beroep in cassatie van X, over de BOR, geldt volgens de A-G dat dit kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 Wet RO, omdat de middelen ten dele niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen.

Lees ook het thema De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Successiewet 1956 35b

Instantie: Hoge Raad (Parket)

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Editie: 20 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

361

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen