A-G Pauwels is van mening dat het hof terecht de informatiegaring en -voorziening tijdens het toestemmingstraject ten aanzien van de boete heeft onderzocht. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de waarborgfunctie van het toestemmingsvereiste.

X nv is als belastingadviseur betrokken bij een structuur van twee cliënten waarvan Guernsey ltd's deel uitmaken. Beoogd is om hiermee de lucratief-belangregeling per 1 januari 2009 te verzachten. Aan de ltd's zijn VPB-navorderingsaanslagen over 2011 opgelegd, omdat zij in Nederland zouden zijn gevestigd (zie 22/01363). In geschil is de aan X nv in verband daarmee opgelegde deelnemers(vergrijp)boete van € 1 mln. Volgens Hof Den Haag heeft de rechtbank de boete terecht vernietigd, omdat niet is voldaan aan het toestemmingsvereiste van hogerhand. Hoewel vooraf toestemming is verleend door de Directeur van Belastingdienst/Grote ondernemingen (DGO), is niet aan het vereiste voldaan, omdat het gebruik van de gegeven toestemming zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. De inspecteur heeft de DGO namelijk onvoldoende objectief geïnformeerd over de feiten. Ten overvloede oordeelt het hof dat de inspecteur opzet niet aannemelijk heeft gemaakt en dat ook onvoldoende is gesteld voor de kwalificatie van grove schuld. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie.

Advocaat-generaal Pauwels is van mening dat het hof terecht de informatiegaring en -voorziening tijdens het toestemmingstraject heeft onderzocht. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de waarborgfunctie die het toestemmingsvereiste heeft. De waardering van het hof is in cassatie niet op juistheid toetsbaar, omdat het een aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering van de gang van zaken is. De waardering is bovendien niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Dit geldt eveneens voor het oordeel van het hof dat hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd onvoldoende is voor het oordeel dat X nv wist dat het niet anders kon dan dat de ltd's in Nederland waren gevestigd, dan wel dat X nv wist dat er een aanmerkelijke kans was dat zij in Nederland waren gevestigd en deze kans willens en wetens voor lief heeft genomen. Ook voor het overige concludeert de A-G tot ongegrondverklaring van het beroep van de staatssecretaris.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:42

Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e

Algemene wet bestuursrecht 5:1

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Belastingrecht algemeen, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Editie: 31 juli

197

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen