Gisteren, 21 april 2026, schreef ik een column in deze TaxLive nieuwsbrief over de vastgoedbijtelling bij een tweede woning in box 3. Ik maakte melding van een discrepantie tussen de manier van berekenen van de vastgoedbijtelling tussen enerzijds de wetgever (daarbij kijkend naar de parlementaire stukken) en anderzijds de Belastingdienst (kijkend naar zijn site). Kennelijk was die column aanleiding voor de Belastingdienst om zijn site aan te passen.
Uit de parlementaire documenten van de Wet tegenbewijsregeling box 3 blijkt dat het bij de bepaling van de vastgoedbijtelling gaat om het aan een belastingplichtige ter beschikking staan van de tweede woning. Het feitelijk gebruik is daarbij niet relevant.
De site van de Belastingdienst vermeldde dat de bijtelling als volgt wordt berekend: “Wij vermenigvuldigen 5,06% van de WOZ-waarde op 1 januari met het aantal dagen dat u jaarlijks in de woning bent. U moet dus elk jaar bijhouden hoeveel dagen u in uw 2e woning verblijft. Ook als u uw 2e woning deels verhuurt.” Ofwel, volgens de Belastingdienst gaat het niet zozeer om het ter beschikking staan, maar veeleer om het feitelijk gebruik.
Aanpassing site Belastingdienst
Gisteren heeft iemand, althans dat zie ik zo voor me, gruwelijk op zijn donder gehad, waarna de site van de Belastingdienst als de wiedeweerga is aangepast. Sinds gisteren vermeldt de site het volgende over de vastgoedbijtelling:
U kunt de 'bijtelling eigen gebruik' op 2 manieren berekenen. U mag zelf kiezen welke bedrag u gebruikt.
1. U kunt de jaarlijkse economische huurwaarde van (het deel van) de onroerende zaak gebruiken. Dit kan worden bepaald door de woning te vergelijken met onder normale omstandigheden verhuurde vergelijkbare woningen. Of u vult op huurcommissie.nl de Huurprijscheck in.
2. U kunt ook kiezen voor een vast percentage (5,06%) van de WOZ-waarde. Dat doet u zo: u vermenigvuldigt 5,06% van de WOZ-waarde op 1 januari met het aantal dagen dat u jaarlijks de onroerende zaak kunt gebruiken. Dit geldt ook voor de dagen dat u er niet bent of in uw onroerende zaak verblijft.
De bijtelling geldt niet op dagen dat u de onroerende zaak verhuurt of verpacht. Of bij het bouwen of verbouwen van uw onroerende zaak. U moet dus elk jaar bijhouden hoeveel dagen u uw onroerende zaak zelf kunt gebruiken.
Bron: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/box-3/content/wat-is-mijn-werkelijk-rendement
Enerzijds is het prettig dat de content van de site van de Belastingdienst weer correspondeert met de parlementaire documenten van de Wet tegenbewijsregeling box 3. De communicatie is weer eenduidig, erg prettig voor de rechtszekerheid. Anderzijds blijft de vraag, vooral voor het lopende belastingjaar 2026, of een belastingplichtige met succes een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel, door de vorige tekst op de site van de Belastingdienst.
Nogmaals, en nu?
Of zullen we die vraag maar laten voor wat het is en gewoon met elkaar afspreken dat we deze misser van de Belastingdienst snel vergeten, en de vastgoedbijtelling berekenen zoals het hoort: de economische huurwaarde met als ‘kapstok’ 5,06% van de WOZ-waarde.
Volgens de nieuwe content over de vastgoedbijtelling is overigens nu wel duidelijk wat het ministerie van Financiën in de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 36706, nr. 7, blz. 27) bedoelde met een ‘kapstok’. Een term, die ik nog niet eerder in wetgevingsstukken was tegengekomen. Die bijtelling van 5,06% van de WOZ-waarde is kennelijk een save harbor. Ook al kan de Belastingdienst aannemelijk maken dat de economische huurwaarde hoger is dan die kapstok, dan mag je nog uitgaan van 5,06% van de WOZ-waarde.