De Duitse belastingwetgeving kent een regeling die vergelijkbaar is met de Nederlandse HIR (§ 6 lid 4 punt 2 EStG). Duitsland stelt aan het uitstel van de heffing van belasting over de meerwaarde die is gerealiseerd bij de verkoop van een bedrijfsgoed in geval van herinvestering echter de voorwaarde dat het goed ten minste zes jaren vóór de verkoop deel heeft uitgemaakt van de vaste activa van een belastingplichtige met een v.i. in Duitsland. Deze faciliteit is volgens de Europese Commissie in strijd met het EU-recht (vrijheid van kapitaal). De EC heeft daarom een precontentieuze procedure ingesteld tegen Duitsland. De onderhavige procedure is een vervolg op de procedure die heeft geleidt tot het arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2015 (Commissie/Duitsland, C‑591/13, V-N 2015/25.19.1).
Advocaat-generaal Ćapeta concludeert dat Duitsland in strijd met het EU-recht handelt door, bij toepassing van de HIR, de voorwaarde te stellen dat het goed ten minste zes jaren vóór de verkoop deel heeft uitgemaakt van de vaste activa van een belastingplichtige met een v.i. in Duitsland. Volgens de A-G is Duitsland dan ook de op haar, krachtens EU-recht, rustende verplichtingen niet nagekomen.
Wetingang:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 53
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 54
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte artikel 40
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Invordering, Vennootschapsbelasting, Europees belastingrecht, Inkomstenbelasting
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag