X maakt bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2022. Nadat Rechtbank Den Haag het beroep ongegrond heeft verklaard, stelt een gemachtigde namens X hoger beroep in. Bij het hogerberoepschrift van 9 januari 2024 wordt een volmacht van 7 februari 2022 overgelegd. Hof Den Haag verzoekt de gemachtigde bij brieven van 31 januari en 13 februari 2025 om een recente machtiging en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van X over te leggen. Daarbij wijst het hof op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring. Omdat de gevraagde stukken uitblijven, verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad oordeelt dat na een niet-benutte herstelmogelijkheid geen verplichting bestaat om nogmaals gelegenheid tot verzuimherstel te bieden. Het hof heeft met het opvragen van een recente machtiging vastgesteld dat sprake is van een verzuim in de zin van art. 6:6 Awb. Dit oordeel en het oordeel dat dit verzuim niet is hersteld, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zijn niet onbegrijpelijk en behoeven geen nadere motivering. Het hof mocht het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Indien de geboden herstelmogelijkheid niet wordt benut, is de rechter niet verplicht om nogmaals gelegenheid tot verzuimherstel te bieden (vgl. HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556, V-N 2026/42.16, r.o. 4.2 t/m 4.6). Omdat het ontbreken van een recente machtiging de niet-ontvankelijkverklaring zelfstandig draagt, behoeven de overige middelen van X geen behandeling meer. Het cassatieberoep van X is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.24
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag