X ontvangt aanslagen IB/PVV over 2013 en 2017 tot en met 2021. In zijn aangiften neemt X bedragen in aanmerking als restant persoonsgebonden aftrek en kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden, verband houdend met een beslaglegging in 2011. In zijn tweede herziene aangifte IB/PVV 2017 vult X € 231.317 in als restant persoonsgebonden aftrek. De inspecteur wijst de verzoeken om ambtshalve vermindering voor 2013 en 2017 af. De uitspraken op bezwaar over 2018 tot en met 2021 hebben een dagtekening van 20 december 2024. PostNL biedt het pakket aan op het adres van X, maar de bezorging lukt niet en X haalt het niet op. De inspecteur stuurt de uitspraken op 4 februari 2025 opnieuw toe. X dient zijn beroepschrift in op 7 maart 2025. In geschil is of de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2013 en 2017 terecht afwijst en of de beroepen over 2018 tot en met 2021 ontvankelijk zijn.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering voor 2013 terecht afwijst omdat X het buiten de vijfjaarstermijn indient. Voor 2017 maakt X niet aannemelijk dat sprake is van een aftrekpost of te verrekenen verlies, nu onderbouwing over de inbeslaggenomen goederen en de waarde daarvan ontbreekt en over 2011 geen verlies is vastgesteld. X dient de beroepen over 2018 tot en met 2021 niet tijdig in. De beroepstermijn eindigt op 31 januari 2025, terwijl het beroepschrift op 7 maart 2025 binnenkomt. Van verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake, nu X niet aannemelijk maakt dat hij binnen de beroepstermijn kennisneemt van de mededeling van de inspecteur.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26C
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.151
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag