A is enig aandeelhouder van zowel X BV als Y BV. X BV verstrekt aan Y BV een lening van € 196.208 vóór 1 januari 2018 en drie leningen van in totaal € 495.731 in 2018 en 2019. Niet in geschil is dat de drie leningen onzakelijk zijn. X BV verkrijgt op 21 juli 2020 de aandelen in Y BV voor € 1. Y BV wordt op 8 december 2020 ontbonden. X BV doet aangifte VPB 2020 naar een belastbaar bedrag van -€ 260.918 en neemt een liquidatieverlies van € 837.850 op. De inspecteur corrigeert het belastbaar bedrag naar € 83.616 door de afwaardering en het liquidatieverlies niet te accepteren.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV de aan Y BV verstrekte lening van € 196.000 op haar winst in mindering kan brengen. Hierbij moet dan nog wel rekening worden gehouden met een aflossing van € 90.000, zodat een aftrek van € 106.000 resteert. Omdat de inspecteur geen onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van de lening is deze ten onrechte als onzakelijk bestempeld. Voor de overige (onzakelijke) leningen geldt dat geen liquidatieverlies in aanmerking kan worden genomen. Het verlies op deze onzakelijke leningen behoort namelijk niet tot het opgeofferde bedrag van de deelneming in de zin van art. 13d Wet VPB 1969. Nu X BV pas vanaf 21 juli 2020 aandeelhouder van Y BV is geworden, was zij op het moment van de verstrekking van de onzakelijke leningen in 2018 en 2019 nog geen aandeelhouder van Y BV. Het debiteurenrisico is daardoor niet in de hoedanigheid van aandeelhouder aanvaard. De rechtbank vermindert de aanslag.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13D
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag