X doet BPM-aangifte voor een Mercedes-Benz Sprinter. Volgens de koerslijst van BTW-auto's is de verschuldigde BPM € 8741. In bezwaar en beroep stelt X echter dat de BPM alsnog moet worden berekend aan de hand van de koerslijst voor marge-auto’s. Rechtbank Gelderland oordeelt dat X recht heeft op een teruggaaf van € 692. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding aan X toegekend, ondanks dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de eigen handelwijze van X. Beide hoger beroepen zijn ongegrond. X stelt in cassatie onder meer dat in de bezwaarfase de hoorplicht is geschonden.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 7:2 Awb voldoet aan het Unierechtelijke vereiste dat een belanghebbende naar behoren zijn standpunt moet kunnen geven over de elementen waarop het bestuursorgaan zijn besluit wil baseren. Het hof heeft vastgesteld dat de inspecteur X naar behoren diverse malen in de gelegenheid heeft gesteld over het bezwaar te worden gehoord. Het kan de inspecteur dus niet worden aangerekend dat X die gelegenheden niet heeft benut. X stelt vergeefs dat er geen expliciete, schriftelijke bevestiging van hem was dat hij afzag van het recht zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Ook voor het overige is het beroep van X ongegrond (zie art. 81 lid 1 Wet RO) en is er geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen (zie HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, V-N 2026/28.15).
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.2
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus