De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde van de woning van X vast op € 770.000 per waardepeildatum 1 januari 2022 voor het jaar 2023 en legt een aanslag onroerende-zaakbelastingen op. X maakt hiertegen bezwaar. De heffingsambtenaar handhaaft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 6 december 2023, zowel de beschikking als de aanslag. X stelt de uitspraak echter pas op 16 december 2023 te hebben ontvangen, hetgeen blijkt uit de overlegde schermprint van de PostNL-app met een verwachte bezorgdatum van 15 december 2023. X dient daarom pas op 21 januari 2024 beroep in. De rechtbank heeft als 6 december 2023 als uitgangspunt genomen voor de vraag of het beroep binnen de beroepstermijn is ontvangen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. In geschil is of de rechtbank het beroep tegen de WOZ-beschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X betwist dat de uitspraak op bezwaar voor of op de dagtekening ter post is bezorgd, waardoor de bewijslast op de heffingsambtenaar rust. De heffingsambtenaar overlegt geen verzendadministratie en verstrekt geen informatie over de verzending. Op basis van de PostNL-schermprint acht het hof het daarom aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar pas op 13 of 14 december 2023 ter post is bezorgd. De beroepstermijn eindigt daarmee op zijn vroegst op 24 januari 2024, zodat het beroepschrift van 21 januari 2024 tijdig is. Het hof verklaart het beroep daarom ontvankelijk.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.8
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26C
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag