De Hoge Raad oordeelt dat de heer X ten tijde van de verzending van zijn eerste twee brieven niet redelijkerwijs kon menen dat de onderhavige navorderingsaanslag al was vastgesteld.

De heer X is ondernemer. Na een boekenonderzoek stuurt de inspecteur op 23 april 2009 het controlerapport naar X toe en deelt mee voornemens te zijn een IB-navorderingsaanslag op te zullen leggen. Op 15 mei 2009 en 27 mei 2009 tekent X bezwaar aan. Eind juni 2009 deelt de inspecteur aan X mee dat het hem niet is gelukt een afspraak met X te maken en dat de aanslag dus zal worden opgelegd. De aanslag heeft als dagtekening 14 augustus 2009. Begin oktober 2009 X gaat (wederom) in bezwaar. In geschil is of de inspecteur dit bezwaar wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Rechtbank Breda stelt de inspecteur in het gelijk. Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X op het moment van ontvangst van het controlerapport redelijkerwijs kon menen dat de onderhavige aanslag, hoewel niet opgelegd al wel was vastgesteld. Uit het stellige standpunt van de inspecteur blijkt namelijk dat deze (intern) zijn besluit al had gevormd en dat dit besluit definitief was. De inspecteur wordt voor het overige wel in het gelijk gesteld. Partijen gaan in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat X ten tijde van de verzending van zijn eerste twee brieven niet redelijkerwijs kon menen dat de onderhavige aanslag al was vastgesteld. Het enkele standpunt van de inspecteur over de nog op te leggen aanslag kan bij X namelijk redelijkerwijs niet de indruk hebben gewekt dat deze al was vastgesteld. De rechtbank heeft op goede gronden het door X tegen de uitspraak van de inspecteur ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt alsnog bevestigd.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 6:10

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 25 maart

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen