Verwijzingshof Amsterdam overweegt dat de inspecteur X inzake het bezwaar tegen het niet-vergoeden van heffingsrente over het jaar 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Aan X zijn voor de jaren 2006 en 2007 voorlopige aanslagen ib/pvv opgelegd. De daarop betaalde bedragen zijn op initiatief van de Belastingdienst ambtshalve verminderd, waarbij via rentebeschikkingen invorderingsrente is vergoed. X verdedigt dat de inspecteur in plaats van ambtshalve verminderingen, nadere negatieve voorlopige aanslagen had moeten opleggen tot terugbetaling van het bedrag, met vergoeding van heffingsrente. Het belang daarvan is dat over de desbetreffende jaren te vergoeden heffingsrente wordt berekend vanaf 1 juli van het jaar van oplegging van de voorlopige aanslagen, terwijl de vergoede invorderingsrente is berekend vanaf 1 januari van het volgende jaar. De inspecteur heeft de bezwaren van X niet-ontvankelijk verklaard. Rechtbank 's-Gravenhage heeft de beroepen ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigt het hof de uitspraken van de rechtbank. X komt in cassatie. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard. De Hoge Raad overweegt dat verwijzingshof Amsterdam, gelet op hetgeen is overwogen in het arrest van 28 oktober 2011, BNS 2012/72, in elk geval de vraag moet beantwoorden of tijdig bezwaar is gemaakt. Verwijzingshof Amsterdam overweegt dat de inspecteur met een schermprint erin is geslaagd aannemelijk temaken dat de definitieve aanslag ib/pvv 2006 is gedagtekend 5 september 2008. X is dan niet binnen zes weken na het vaststellen van de definitieve aanslag maar eerst geruime tijd daarna (op 31 juli 2009) opgekomen tegen het achterwege blijven van vergoeding van heffingsrente. Dit bezwaar is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep inzake het jaar 2006 is ongegrond. Tussen partijen is niet langer in geschil dat X ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen het achterwege blijven van een vergoeding van € 532 aan heffingsrente over het tweede halfjaar van 2007. Het hoger beroep inzake het jaar 2007 is gegrond. Het hof acht geen termen aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. De redelijke termijn is niet overschreden.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:73

Algemene wet bestuursrecht 6:2

Algemene wet inzake rijksbelastingen 30j

Algemene wet inzake rijksbelastingen 13

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting, Invordering

Instantie: Hof Amsterdam

Editie: 25 maart

1

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen