Rechtbank Den Haag oordeelt dat de beroepen tegen de afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV niet-ontvankelijk zijn. Dat X tot de laatste dag van de beroepstermijn wacht en vervolgens met computerproblemen wordt geconfronteerd, komt voor zijn rekening en risico.

X dient in december 2022 herziene aangiften IB/PVV in voor de jaren 2017, 2018 en 2019. De inspecteur merkt de herziene aangiften aan als verzoeken om ambtshalve vermindering en wijst deze op 16 mei 2025 af. Het bezwaar tegen de afwijzende beslissingen wordt afgewezen. De beroepstermijn eindigt op 11 maart 2026. De rechtbank ontvangt het beroepschrift pas op 16 maart 2026. X voert aan dat hij op 11 maart 2026 beroep wil instellen, maar gehinderd wordt door een systeemcrash. Hij verwijst naar een volmacht met dezelfde datum als bewijs.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X met de datum op de volmacht niet aannemelijk maakt dat hij op 11 maart 2026 daadwerkelijk beroep instelt. De gestelde computerproblemen maken de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. X heeft zes weken de tijd om tijdig beroep in te stellen. Dat hij tot de laatste dag van de beroepstermijn wacht en daarbij gehinderd wordt door computerproblemen, komt voor zijn rekening en risico. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in art. 6:11 Awb is geen sprake. De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

44

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen