Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening in verband met de (navorderings)aanslagen IB 2020-2023. De rechtbank wijst het verzoek af.

X ontvangt navorderingsaanslagen IB/PVV 2020, 2021 en 2022 en een aanslag IB/PVV 2023. De verschuldigde bedragen lopen uiteen van € 67 tot € 2052. X maakt bezwaar tegen alle aanslagen en verzoekt vervolgens om een voorlopige voorziening die strekt tot kwijtschelding, vermindering, opschorting van invordering en herbeoordeling. De inspecteur meldt dat de navorderingsaanslagen 2020, 2021 en 2022 komen te vervallen en dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2023 zal worden afgewezen. Daarnaast is voor alle aanslagen uitstel van betaling verleend en zijn invorderingsmaatregelen opgeschort. X stelt dat financiële en psychische omstandigheden spoedeisendheid opleveren.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X geen spoedeisend belang heeft, omdat voor alle aanslagen uitstel van betaling geldt en de invordering is opgeschort. De rechtbank overweegt dat gevoelens van onzekerheid en psychische druk geen onverwijlde spoed vormen in de zin van art. 8:81 Awb. Ook bevinden de bezwaarprocedures zich in de afrondende fase, waardoor geen noodzaak bestaat om in te grijpen. Daarnaast verklaart de rechtbank zich onbevoegd voor de verzoeken die betrekking hebben op kwijtschelding en uitstel van betaling, omdat deze besluiten onder de Invorderingswet 1990 vallen. De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.81

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 22 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Gerelateerde artikelen