Stichting A verzoekt gemeente X in 2012 om bij te dragen aan de verbouwing van haar schoolgebouw. De gemeenteraad van X stemt toe en X gunt de opdracht vervolgens aan B. X brengt de BTW-voorbelasting die drukt op de verbouwing in aftrek. Naar aanleiding van een door hem ingesteld onderzoek legt de inspecteur BTW-naheffingsaanslagen op aan X. Volgens de inspecteur is X namelijk niet aan te merken als de afnemer van de prestaties. Verder stelt de inspecteur dat X geen economische activiteit jegens A heeft verricht, dan wel dat sprake is van misbruik van recht.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X de verbouwings-BTW van de school niet in aftrek kan brengen, ondanks het feit dat X de opdrachtnemer is en sprake is van een economische activiteit. Volgens de rechtbank is namelijk sprake van misbruik van recht. De rechtbank overweegt daarbij dat A geen recht op aftrek van de voorbelasting zou hebben als zij zelf als opdrachtgever van de verbouwingsdienst zou optreden. Daarnaast staat vast dat door de inschakeling van X als opdrachtgever een belastingvoordeel zou worden behaald. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van een zuiver kunstmatige constructie waarvan het wezenlijk doel het behalen van belastingvoordeel is. Daarbij is van belang dat X voor de gekozen structuur geen andere, steekhoudende, verklaring heeft gegeven dan het verkrijgen van een belastingvoordeel. De naheffingsaanslagen blijven in stand.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 24 april
Informatiesoort: VN Vandaag