X handelt in schroot en sloopauto’s. Hij beschikt hiertoe over een vrachtauto met een hydraulische laadkraan. In 2016 en 2017 trekt X voorbelasting af met betrekking tot de aanschaf van een gereviseerde kraan en de kosten voor het herstel van de laadbak. Volgens de inspecteur zijn de betreffende facturen, die contant door X zouden zijn voldaan, vals. In geschil zijn de BTW-naheffingsaanslagen, alsmede de vergrijpboeten. De vergrijpboeten zijn opgelegd tegen een percentage van 20% vanwege samenloop met de procedures inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw. Rechtbank Gelderland matigt de boeten ambtshalve wegens het overschrijden van de redelijke termijn tot € 1247 (2016) respectievelijk € 334 (2017). X gaat in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/38.1.6) oordeelt dat overtuigend is aangetoond dat de op de factuur verrichte werkzaamheden inzake de demontage van de oude kraan en de montage van de gereviseerde kraan onmogelijk in Duitsland kunnen zijn verricht in het laatste weekend van oktober 2016, zoals op de factuur staat. Bovendien beschikt X niet over een wettelijk verplicht dossier van de kraan, waarin alle gecertificeerde werkzaamheden zijn opgenomen. De factuur met betrekking tot de reparatie van de laadbak is ook vals. Het betreffende herstelbedrijf ontkent ooit zaken met X te hebben gedaan en repareert ook geen vrachtauto’s. Het hoger beroep is enkel gegrond, omdat de inspecteur hogere boeten heeft opgelegd dan vooraf was aangekondigd. De boeten worden – met inachtneming van de matiging door de rechtbank – verlaagd tot € 1216 (2016) en € 319 (2017). De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 15 april
Informatiesoort: VN Vandaag