X exploiteert met enkele familieleden een boomkwekerij, aanvankelijk in de vorm van een VOF, later in de vorm van een CV. In 2006 treedt zij uit en treedt haar echtgenoot in haar plaats. De CV wordt vervolgens per 30 juni 2020 ontbonden. De overeenkomst tot ontbinding van de CV wordt getekend op 29 maart 2021. De boomkwekerij wordt vervolgens voortgezet, per 1 juli 2020, in de vorm van een VOF, door X, haar echtgenoot en een broer van X. Een en ander wordt vastgelegd in een overeenkomst van 10 januari 2022. In geschil is het ondernemerschap van X. De inspecteur is namelijk van mening dat X pas vanaf 18 maart 2021 is aan te merken als IB-ondernemer. Hij legt daarom een IB-navorderingsaanslag op aan X. X stelt dat zij reeds vanaf 1 juli 2020 is aan te merken als IB-ondernemer.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur X terecht pas vanaf 18 maart 2021 aanmerkt als IB-ondernemer. X slaagt er namelijk niet in om aannemelijk te maken dat zij al vanaf 1 juli 2020 moet worden aangemerkt als IB-ondernemer. De rechtbank overweegt daarbij dat de nieuwe VOF pas op 18 maart 2021 is ingeschreven in het Handelsregister van de KvK. Op diezelfde datum is de CV uitgeschreven uit dat Handelsregister. Ook is van belang dat de nieuwe VOF is aangegaan bij overeenkomst van 10 januari 2022. De enkele bewering dat de overeenkomst reeds in 2020 mondeling tot stand is gekomen, is dan niet genoeg om het bestaan van de overeenkomst op een vroeger tijdstip aan te tonen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.4
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 15 april
Informatiesoort: VN Vandaag