Hof Amsterdam oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde 2022 van het winkelpand van X voldoende aannemelijk maakt. Het hoger beroep van X tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank slaagt niet.
De heffingsambtenaar stelt bij beschikking de WOZ-waarde 2022 van een winkelobject van circa 760 m2 op € 1.188.000 en legt in hetzelfde geschrift de OZB-aanslag op. X als eigenaar maakt bezwaar, waarna de heffingsambtenaar de beschikking en de OZB-aanslag handhaaft. X stelt hoger beroep in bij Hof Amsterdam en voert diverse standaardgronden aan, onder meer over vergelijkingsobjecten, onderhoudstoestand, leegstand, corona-effecten en opbrengstlimiet. In geschil is of de WOZ-waarde 2022 van het winkelobject te hoog is vastgesteld en of de heffingsambtenaar dit met de huurwaardekapitalisatiemethode voldoende onderbouwt.
Hof Amsterdam oordeelt dat de rechtbank op juiste gronden beslist dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog vaststelt. De heffingsambtenaar brengt een taxatierapport in, gebaseerd op huurwaardekapitalisatie en marktgegevens van vergelijkbare objecten, met een getaxeerde waarde van € 1.269.853,55, ruim boven de vastgestelde WOZ-waarde. De daaruit afgeleide kapitalisatiefactor en huur per m2 liggen duidelijk hoger dan de in de waardering van het object gehanteerde parameters, zodat een ruime veiligheidsmarge van circa € 730.000 ontstaat. Door X gestelde correcties op oppervlakten, risico’s en kosten leiden, ook indien juist, niet tot een lagere waardering onder de vastgestelde WOZ-waarde. De door X overgelegde huurovereenkomsten uit 2014 en 2025 liggen te ver van de waardepeildatum en ondersteunen bij de gehanteerde kapitalisatiefactor juist de WOZ-waarde. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
[Bron Uitspraak]
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
25