Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de recreatiewoning in aanbouw correct vaststelt. De rechtbank behandelt onder meer de grondwaarde, de stichtingskosten en het beroep op het motiveringsbeginsel.

X bezit samen met haar echtgenoot een vrijstaande recreatiewoning in aanbouw op een perceel van 870 m², waarvan 648 m² grond en 222 m² water. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2023 naar de toestand op 1 januari 2024 vast op € 418.000. X bepleit een waarde van € 258.000 en verwijst naar een lagere grondprijs en de stichtingskosten exclusief BTW. Zij stelt dat sprake is van een braakliggend bouwterrein na de sloop van de oude recreatiewoning. De heffingsambtenaar gebruikt verkoopgegevens van zes vergelijkbare recreatiewoningen en past een grondprijs van € 466 per m² toe. Partijen zijn het eens over bouwkosten van € 160.000 en een gereedheidspercentage van 60 procent. In geschil is of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de recreatiewoning in aanbouw te hoog vaststelt en of hij het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel schendt.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is. De vergelijkingsobjecten ondersteunen de grondwaarde en tonen aan dat zelfs een hogere waarde mogelijk is. De rechtbank acht ook bij stichtingskosten exclusief BTW de totale waarde niet te hoog, mede door leges en hogere grondprijzen uit referenties. De rechtbank oordeelt daarnaast dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd en dat geen sprake is van schending van wettelijke beginselen, om vervolgens het beroep ongegrond te verklaren.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Waardering onroerende zaken

Editie: 13 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

29

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen