Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de vrijval van een lijfrenteverplichting bij overlijden een waardestijging van aandelen vormt door het overlijden van erflaatster. De inspecteur heeft terecht een fictieve verkrijging in aanmerking genomen.

X houdt alle aandelen in X BV, die via Stichting X de certificaten houdt in Z BV. In 1997 ontstaat bij een aandelentransactie een lijfrenteverplichting ten behoeve van de echtgenoot van erflaatster en na diens overlijden ten behoeve van haar. De lijfrenteverplichting komt uiteindelijk bij Z BV terecht. X is een nicht in de derde graad van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster. De inspecteur legt conform de aangifte een aanslag erfbelasting op met een fictieve verkrijging door de vrijval van de lijfrentevoorziening. In geschil is of dit terecht is.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de vrijval van een lijfrenteverplichting bij overlijden een waardestijging van aandelen vormt door het overlijden van erflaatster. De inspecteur heeft terecht een fictieve verkrijging op basis van de Successiewet in aanmerking genomen. De omstandigheid dat het vervallen van de lijfrenteverplichting voortvloeit uit eerder overeengekomen voorwaarden bij het aangaan van de koopovereenkomst staat er niet aan in de weg dat de daardoor ontstane waardestijging wordt aangemerkt als een waardestijging door het overlijden van de erflater. De wetgever heeft de toepassing van art.13a SW 1956 ook niet beperkt tot misbruiksituaties. De aanslag blijft in stand.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Successiewet 1956 artikel 13A

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Editie: 29 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen