X komt in bezwaar en beroep tegen een WOZ-beschikking. Rechtbank Noord-Holland verklaart het beroep ongegrond, maar kent wel een immateriële schadevergoeding (ISV) toe van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hof Amsterdam matigt dit tot € 50 gezien de eenvoud van de zaak, het geringe financiële belang (€ 132), het jaarlijks terugkerende karakter van de WOZ-beschikking en het ontbreken van een proceskostenrisico (no cure no pay). X gaat in cassatie.
De Hoge Raad benadrukt dat een beperkt financieel belang slechts aanleiding kan geven tot matiging van de ISV wanneer het financiële belang minder is dan € 1.000 en de termijnoverschrijding minder is dan twaalf maanden. Dit volgt uit HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, V-N 2024/29.19. Voor zaken die vallen onder het overgangsrecht van dit arrest kan slechts een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel van een ISV van € 500 per half jaar indien de zaak gaat om een zeer gering financieel belang, dat wil zeggen niet meer dan € 15. Met een belang van € 132 was hier dus geen ruimte voor matiging. Ook de in de ogen van het hof zeer geringe kans op succes van X is geen reden de ISV te matigen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van X gegrond, vernietigt de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van de matigingsfactor 0,10 uit de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 29 juni
Informatiesoort: VN Vandaag