Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij ondernemer X legt de inspecteur IB-navorderingsaanslagen 2017 en 2018 aan hem op. X is het daar niet mee eens en stelt dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt. De primitieve IB-aanslagen zijn namelijk vastgesteld tijdens het lopende boekenonderzoek en ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslagen was de controleambtenaar op de hoogte van alle van belang zijnde gegevens. Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur weliswaar niet over een nieuw feit beschikt, maar dat sprake is van een kenbare fout in de zin van art. 16 lid 2 onderdeel c AWR. Volgens het hof kan X in redelijkheid niet menen dat de (primitieve) aanslagen, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden waren vastgesteld. Het hof hecht daarbij belang aan het feit dat tussen de gemachtigde van X en de controlerend ambtenaar een correspondentie gaande was. X gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende onderbouwt. Zo valt niet in te zien waarom correspondentie over de jaren 2015 en 2016 van belang is voor de beoordeling wat X in redelijkheid kon menen met betrekking tot de primitieve aanslagen over 2017 en 2018. De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar Hof Amsterdam.
Hof Amsterdam oordeelt dat het enkele vaststellen van de primitieve aanslagen, vóór afronding van het boekenonderzoek, niet een omstandigheid betreft die meebrengt dat X kan menen dat die aanslagen op goede gronden zijn vastgesteld. Of sprake is van een ambtelijk verzuim is namelijk niet van belang bij de beoordeling of sprake is van een in redelijkheid kenbare fout. Het vereiste van een nieuw feit speelt dan immers geen rol. Het hof merkt verder nog op dat de drie punten die in geschil zijn niet tot aftrek kunnen leiden. Dit moet zelfs duidelijk zijn voor een fiscaal adviseur die aan de onderkant van de markt voor ondernemers opereert. Volgens het hof moet de gemachtigde bij het indienen van de aangiften daarom hebben onderkend dat een te laag inkomen is aangegeven. X maakt niet aannemelijk dat de aanslagen op goede gronden zijn vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 29 juni
Informatiesoort: VN Vandaag