Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient en dat het OZB-tarief voor niet-woningen terecht geldt. De rechtbank verlaagt wel de WOZ-waarde in goede justitie.

X is eigenaar van een verpleegtehuis met een bruto vloeroppervlakte van 1187 m2 op een perceel van 14.885 m2. X verhuurt de onroerende zaak aan Stichting X. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2024 vast op € 3.063.000 en legt de aanslag OZB 2025 op. In geschil is of de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de gangen van de onroerende zaak meer dan incidenteel worden gebruikt door personeel en daardoor niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Hierdoor is minder dan 70% van de WOZ-waarde toe te rekenen aan gedeelten die tot woning dienen of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De onroerende zaak kwalificeert daarom terecht als niet-woning. Het OZB-tarief voor niet-woningen en de gebruikersaanslag zijn terecht toegepast. De WOZ-waarde is te hoog vastgesteld. De rechtbank stelt de waarde in goede justitie vast op € 2.900.000. Het beroep is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Wet waardering onroerende zaken artikel 30A

Gemeentewet artikel 220A

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Waardering onroerende zaken

Editie: 22 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

21

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen