Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De inspecteur raakt pas bekend met de ontbinding van Y BV via de aangifte VPB en niet via de aangifte IB/PVV.

X houdt certificaten in X BV die via Y BV een onderneming drijft. Y BV wordt in 2018 ontbonden, maar de onderneming wordt door X voortgezet. X en Y zijn fiscale partners. In hun aangiften IB/PVV 2017 en 2018 geven zij geen inkomen uit aanmerkelijk belang aan. Daarnaast vervalt in 2018 een schuld in box 3 genaamd 'BV'. In de aangifte VPB 2018 van Y BV wordt de ontbinding vermeld, deze aangifte wordt later geselecteerd voor controle. Naar aanleiding daarvan stelt de inspecteur vragen over de terugkeer van de onderneming en legt hij navorderingsaanslagen op, waarbij het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt gebaseerd op het eigen vermogen van Y BV. In geschil is of de inspecteur bevoegd is navorderingsaanslagen op te leggen en of het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang juist is vastgesteld.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt omdat het moment dat hij redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de ontbinding van Y BV plaatsvindt bij het in behandeling nemen van de aangifte VPB 2018. Dit is een latere datum dan het opleggen van de definitieve aanslagen IB/PVV 2018. Dat er in deze aangiften geen inkomen uit aanmerkelijk belang was aangegeven en dat de schuld wegvalt, brengt niet mee dat de inspecteur tot nader onderzoek gehouden was. De navorderingsaanslagen blijven in stand.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 22 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

22

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen