De Hoge Raad oordeelt dat een proceskostenvergoeding wegens schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet achterwege kan blijven op de grond dat X ook zonder die schending beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld.

X komt in hoger beroep tegen de WOZ-waarde van zijn woning. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de heffingsambtenaar art. 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden door ondanks een verzoek van X in de bezwaarfase de zogeheten KOUDVL-scores niet te verstrekken. Het hof ziet daarin echter geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat X gelet op zijn inhoudelijke bezwaren tegen de WOZ-waarde ook zonder deze schending beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat een proceskostenvergoeding wegens schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet achterwege kan blijven op de grond dat X ook zonder die schending beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld. Dat vormt geen bijzondere omstandigheid die een uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel dat een succesvol beroep op schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ leidt tot een proceskostenvergoeding. Nu uit de gedingstukken niet blijkt van andere bijzondere omstandigheden, heeft X recht op een proceskostenvergoeding voor zowel de beroepsfase als de hogerberoepsfase van in totaal € 2.802. De proceskostenvergoeding voor de cassatiefase wordt op grond van art. 30a Wet WOZ sterk gematigd tot € 561.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Wet waardering onroerende zaken artikel 40

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

50

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen