X komt in hoger beroep tegen de WOZ-waarde van zijn woning. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de heffingsambtenaar art. 40 lid 2 Wet WOZ heeft geschonden doordat de gegevensverstrekking in bezwaar niet volledig is geweest. Het hof ziet daarin echter geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat de (relatief beperkte) schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor het instellen van beroep gelet op de in bezwaar en beroep aangevoerde argumenten tegen de WOZ-beschikking.
De Hoge Raad oordeelt dat een proceskostenvergoeding wegens schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet achterwege kan blijven op de grond dat X ook zonder die schending beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld. Dat vormt geen bijzondere omstandigheid die een uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel dat een succesvol beroep op schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ leidt tot een proceskostenvergoeding. Nu uit de gedingstukken niet blijkt van andere bijzondere omstandigheden, heeft X recht op een proceskostenvergoeding voor zowel de beroepsfase als de hogerberoepsfase van in totaal € 1868. De proceskostenvergoeding voor de cassatiefase wordt op grond van art. 30a Wet WOZ sterk gematigd tot € 187.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Wet waardering onroerende zaken artikel 40
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 juli
Informatiesoort: VN Vandaag