X maakt bezwaar tegen de WOZ beschikking van zijn woning door de gemeente Hoorn. X verzoekt met een beroep op art. 40 Wet WOZ om stukken met de KOUDV factoren te verstrekken. Deze gegevens worden echter pas in de beroepsfase verstrekt. Volgens de Hoge Raad (1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:731, V-N 2026/20.14) zijn de gehanteerde correctiefactoren gegevens die aan de waardevaststelling ten grondslag liggen, zodat die wel onder de reikwijdte van art. 40 lid 2 Wet WOZ vallen. Het college van B&W zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het hof en van het geding voor de rechtbank. In het kader van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM wordt het geding geschorst, zodat X kan bewijzen dat zijn geval met het oog op de proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in r,o. 3.5.2 van HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27.
De Hoge Raad oordeelt dat de gemachtigde van X heeft aangegeven dat niet aan de bedoelde bewijslast kan worden voldaan, zodat de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld conform de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM. Met toepassing van de vermenigvuldigingsfactor 0,10 komt dit voor de cassatieprocedure neer op een vergoeding van € 187. Voor het geding voor het hof is de vergoeding € 934 en voor het geding voor de rechtbank € 1868. Daarnaast krijgt X griffierechtvergoedingen van € 138 (cassatie), € 136 (hof) en € 50 (rechtbank).
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.74
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.76
Wet waardering onroerende zaken artikel 40
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 juli
Informatiesoort: VN Vandaag