De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek van X om vergoeding van immateriële schade weliswaar niet heeft behandeld, maar dat dit niet tot cassatie kan leiden. De redelijke termijn van twee jaar voor het behandelen van het hoger beroep is namelijk niet overschreden.

X houdt de aandelen in A BV, dat op haar beurt weer de aandelen houdt in B BV. De activiteiten die worden uitgeoefend betreffen het ontwikkelen van een speciale computer met de daarbij behorende hard- en software. Volgens X heeft hij, in rekening-courant, een vordering van € 516.000 op de BV’s. In geschil is de omvang van de vordering. Volgens X heeft hij namelijk een TBS-verlies geleden in verband met de afwaardering van de vordering in rekening-courant. Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat het verlies niet aftrekbaar is als TBS-verlies, omdat X de geldleningen als aandeelhouder als zodanig is aangegaan. De inspecteur maakt aannemelijk dat een willekeurige derde niet het risico zou aanvaarden dat X heeft aanvaard. X gaat in cassatie en stelt daarbij onder andere dat het hof zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade niet heeft behandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek van X om vergoeding van immateriële schade weliswaar niet heeft behandeld, maar dat dit niet tot cassatie kan leiden. De redelijke termijn van twee jaar voor het behandelen van het hoger beroep is namelijk niet overschreden. Hetzelfde geldt voor het ISV-verzoek voor de cassatieprocedure. Ook deze procedure is binnen twee jaren afgewikkeld. Ten aanzien van het materiële geschilpunt verwijst de Hoge Raad naar art. 81 lid 1 Wet RO.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen