Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X geen herinvesteringsreserve kan vormen voor een afsluitvergoeding die hij ontvangt voor het meewerken aan de vestiging van een opstalrecht op zijn landbouwgrond.

X exploiteert samen met zijn broer in maatschap A een akkerbouwbedrijf en brengt daarin de economische eigendom van cultuurgrond in. De broer blijft juridisch eigenaar van diverse percelen waarop maatschap A boert. In 2018 sluit de broer met netbeheerder een opstalrechtovereenkomst voor hoogspanningsmasten op die percelen, met een eenmalige afsluitvergoeding en andere vergoedingen. X rekent de helft van de afsluitvergoeding tot zijn winst uit onderneming en vormt daarop een herinvesteringsreserve, bestemd voor de bouw van een loods. De inspecteur accepteert de reserve niet en verhoogt de winst, waarna X bezwaar, beroep en hoger beroep instelt. In geschil is of X een herinvesteringsreserve mag vormen voor zijn aandeel in de afsluitvergoeding uit de opstalrechtovereenkomst.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de afsluitvergoeding die X ontvangt uitsluitend strekt tot beloning voor het voortvarend en minnelijk meewerken aan de vestiging van het opstalrecht. De vergoeding vormt daarom niet de tegenprestatie of opbrengst van een vervreemding van de door X gebruikte grond in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001. Aansluiting bij de grondslag voor de heffing van overdrachtsbelasting is daarvoor niet beslissend. X mag geen herinvesteringsreserve vormen. het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.54

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 15 april

Informatiesoort: VN Vandaag

29

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen