Advocaat-generaal Koopman concludeert dat X na de optieverlening een genotsrecht behoudt als bedoeld in art. 4.3 onderdeel a Wet IB 2001 en dus als aandeelhouder moet worden aangemerkt. De inspecteur heeft de in 2018 behaalde verkoopopbrengst volgens de A-G dan ook terecht tot het box 2-inkomen van X gerekend.

X houdt één certificaat van een aandeel B in Y BV, een investeringsfonds dat particulier vermogen aantrekt om meerderheidsbelangen te verwerven in innovatieve startende ondernemingen in de technologiesector. A BV is de initiatiefnemer en beheerder van het investeringsfonds. In 2011 geeft B BV preferente aandelen A2 uit aan Y BV. Deze transactie wordt gedeeltelijk gefinancierd door een lening van X en zes andere investeerders. Partijen verlenen daarbij een optie aan A BV. In 2014 verkoopt Y BV de helft van de preferente aandelen A2 in B BV. A BV oefent daarbij haar optierecht uit. In 2018 wordt de andere helft verkocht. X realiseert daarbij een opbrengst van € 907.565. In zijn IB-aangifte 2018 verantwoordt X zijn certificaat in Y BV en zijn vordering op Y BV als box 3-vermogen. De inspecteur is echter van mening dat X een ab-vervreemdingsvoordeel heeft genoten. In geschil is of het ab-houderschap van X door het verstrekken van de deelnemerschapslening wordt aangetast door de koopoptie op de lening. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verkoopopbrengst terecht als ab-inkomen is aangemerkt. Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur ten onrechte het inkomen van X uit zijn vordering op Y BV in aanmerking heeft genomen als ab-inkomen. Omdat rekening moet worden gehouden met de verleende optie, komt niet het volledige economische belang bij de aandelen in B BV toe aan X. Het gelijk is aan X. De staatssecretaris gaat in cassatie.

Advocaat-generaal Koopman concludeert dat X na de optieverlening een genotsrecht behoudt als bedoeld in art. 4.3 onderdeel a Wet IB 2001 en dus als aandeelhouder moet worden aangemerkt. De inspecteur heeft de in 2018 behaalde verkoopopbrengst volgens de A-G dan ook terecht tot het box 2-inkomen van X gerekend. De A-G adviseert de Hoge Raad om het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond te verklaren en de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.3

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.7

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.16

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.31

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.46

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 14 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

19

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen