X is (mede-)eigenaar van een kantoorpand dat sinds 2018 langdurig te koop en te huur heeft gestaan en in de loop van 2023 wordt verkocht. Tijdens de leegstand wordt water gebruikt om het pand schoon te houden; dit water wordt afgevoerd via het gemeentelijke riool. Op grond van de verordening rioolheffing van de gemeente Heerlen is belastingplichtig de gebruiker van een perceel van waaruit water op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. X is het niet eens met de aanslag rioolheffing 2023 en betoogt dat hij geen gebruiker van het pand is. Hof ’s-Hertogenbosch stelt hem in het gelijk en sluit voor de uitleg van het begrip ‘gebruiken’ aan bij de uitleg van dit begrip voor de ozb (het ‘metterdaad bezigen’-criterium).
Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat Hof ’s-Hertogenbosch voor de uitleg van het begrip ‘gebruiken’ voor de rioolheffing terecht aansluiting zoekt bij de uitleg van dat begrip in de ozb. Volgens de advocaat-generaal wijst onder meer de sterke overeenkomst tussen de tekst van de gemeentelijke verordening en die van de ozb erop dat de gemeentelijke wetgever heeft willen aansluiten bij die betekenis. Hoewel de gelijkschakeling met de ozb ertoe kan leiden dat wel sprake is van (beperkt) gebruik van de riolering zonder dat een gebruiker kan worden aangewezen, is voor de advocaat-generaal geen zwaarwegend tegenargument. De advocaat-generaal acht het namelijk denkbaar dat de gemeenteraad deze ruwheid vanuit het oogpunt van eenvoud en rechtszekerheid heeft aanvaard. Volgens Pauwels is het oordeel van het hof dat geen sprake is van gebruik, ondanks de afvoer van water naar het riool, niet onbegrijpelijk omdat het vereiste gebruik betrekking heeft op het perceel en niet op de riolering. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van het Dagelijks Bestuur ongegrond te verklaren.
Wetingang:
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 14 juli
Informatiesoort: VN Vandaag