Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld. Op grond van het strafvonnis van Rechtbank Oost-Brabant staat namelijk onherroepelijk vast dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan X te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur LB-naheffingsaanslagen op aan A BV, dat een uitzendbureau exploiteert. A BV heeft namelijk de op aangiften verschuldigde loonheffingen niet afgedragen. A BV beëindigt haar activiteiten per 15 augustus 2013 en draagt haar activiteiten over aan B BV en C BV, zonder goodwill te bedingen. Omdat de naheffingsaanslagen niet worden betaald, stelt de ontvanger X aansprakelijk. Hij is namelijk sinds 2 mei 2011 bestuurder van A BV. Daarnaast betreft de aansprakelijkstelling ook boeten in verband met te hoge kosten- en kilometervergoedingen. X is het hier niet mee eens. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat X terecht aansprakelijk is gesteld. Ook zijn volgens het hof terecht boeten van 50% opgelegd. X gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd en verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2025/24.1.7) oordeelt dat X terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld. Op grond van het strafvonnis van Rechtbank Oost-Brabant staat namelijk onherroepelijk vast dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan X te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat X in het strafvonnis is veroordeeld voor een omissiedelict (stilzitten daar waar handelen of ingrijpen, bezien naar een strafrechtelijke norm, geboden was) acht het hof niet van belang. Voor de vergrijpboeten geldt dat X daarvoor ten onrechte aansprakelijk is gesteld. Volgens het hof toont de Ontvanger niet overtuigend aan dat het aan X te wijten is dat de vergrijpboetes zijn belopen. De stelling van X dat de rechtsvorderingen tot betaling van de naheffingsaanslagen opgelegd aan de BV zijn verjaard, wordt door het hof verworpen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO). (Na conclusie van A-G Koopman in V-N 2026/9.26)

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Invorderingswet 1990 artikel 36

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67F

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 15 april

Informatiesoort: VN Vandaag

22

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen