De Hoge Raad oordeelt dat de rechter bij het matigen van de proceskostenvergoeding een grote vrijheid heeft.

X krijgt van Hof Amsterdam in een WOZ-zaak een proceskostenvergoeding van € 60. In eerste aanleg was alleen verzuimd een immateriële schadevergoeding toe te kennen wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Volgens het hof zou toekenning van een forfaitaire vergoeding volgens het puntensysteem de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten overtreffen, de werkbelasting voor de gemachtigde was zeer beperkt door de eenvoud van de grief, die bovendien in meerdere zaken was aangevoerd, en gaat het om een puur financiële procesbelang van slechts € 50. In cassatie stelt X dat het hof had moeten motiveren waarom € 60 redelijk is.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechter bij het matigen van de proceskostenvergoeding een grote vrijheid heeft. Hij hoeft de omvang van de vermindering niet afzonderlijk te motiveren (zie HR 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060, V-N 1996/3910, 6). De rechter overschrijdt de hem toekomende vrijheid alleen als hij in redelijkheid niet tot een zo vergaande matiging mocht besluiten. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzing dat die uitzonderlijke situatie zich hier voordoet. Het beroep van X is ook voor het overige ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2

Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 27 april

Informatiesoort: VN Vandaag

67

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen