Y, de echtgenote van belanghebbende, X, drijft tot 2013 een eenmanszaak. In 2013 wordt de rechtsvorm van de onderneming gewijzigd in een VOF. X en Y zijn de vennoten van de VOF. De activiteiten van de VOF bestaan uit het geven van financiële, fiscale en bedrijfseconomische adviezen. Naar aanleiding van een in 2016-2017 uitgevoerd boekenonderzoek legt de inspecteur IB-(navorderings)aanslagen op aan X. X is het niet met de door de inspecteur doorgevoerde correcties eens. In geschil zijn de huisvestingskosten, de verkoopkosten en de andere kosten. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de huisvestingskosten en de andere kosten terecht heeft gecorrigeerd. Voor de overige kosten geldt dat de rechtbank de aftrek van 50% van de opgevoerde autokosten volgt, waar de inspecteur mee heeft ingestemd.
Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2024/38.1.2) oordeelt dat de door X geclaimde huisvestingskosten niet aftrekbaar zijn. De werkruimte betreft namelijk niet een zelfstandige kantoorruimte in de zin van de Wet IB 2001. De werkruimte bezit onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van de woning om als zodanig verhuurd te kunnen worden aan een derde. Dat de werkruimte eenvoudig afsluitbaar gemaakt kan worden van het woongedeelte is dan verder niet meer van belang. Voor de overige kosten geldt, de autokosten uitgezonderd, dat X de zakelijkheid van deze kosten niet aannemelijk maakt. X overlegt namelijk geen bewijsstukken waaruit kan worden afgeleid dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van de onderneming. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.6
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.16
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.76