X exploiteert vanaf 2014 een reisbureau en ontvangt in 2019 een AOW-uitkering voor gehuwden. X spant een kort geding aan tegen zijn echtgenote, waarna zij de woning op 13 mei 2019 met medeneming van hun jongste kind verlaat. In november 2019 vraagt X vervolgens de echtscheiding aan. Volgens Rechtbank Noord-Holland is het reisbureau geen bron van inkomen, omdat het resultaat tot en met 2023 steeds negatief was. X kan na het vertrek van de echtgenote € 100 op maandbasis als partneralimentatie aftrekken en hij heeft recht op de alleenstaande ouderenkorting. Het is niet vereist dat hij ook daadwerkelijk een AOW-uitkering voor ongehuwden heeft aangevraagd en ontvangen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2476, V-N 2005/59.15). X gaat in hoger beroep.
Hof Amsterdam oordeelt dat X geen recht heeft op zelfstandigen– en startersaftrek, omdat zijn reisbureau geen bron van inkomen is. De alleenstaande ouderkorting bestaat vanaf 2015 niet meer, zodat X hier in 2019 geen recht op kan hebben. De rechtbank heeft aan X terecht geen proceskostenvergoeding voor externe beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend. X maakt niet aannemelijk dat hij voor de onderhavige belastingzaak twee advocaten heeft ingeschakeld en dat hij daarvoor in 2021 € 2000 moest betalen. Hij stelt namelijk zelf de gedingstukken op en verschijnt alleen op de zitting. Het beroep is ook voor het overige ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.5
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.18
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 9 juni
Informatiesoort: VN Vandaag