X BV is eigenaar en gebruiker van een tankstation en is het niet eens met de aanslag zuiveringsheffing.
Hof Den Haag oordeelt dat X BV met haar stelling dat een deel van het ingenomen water wordt verkocht aan glazenwassers of wordt meegenomen door camperaars, en dus niet op het riool wordt geloosd, niet aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid bedraagt. Voor kleine bedrijfsruimten zoals het tankstation van X BV wordt het aantal vervuilingseenheden forfaitair vastgesteld op één vervuilingseenheid indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt. De enkele verwijzing naar een e-mail over waterverkoop en gebruik door camperaars is daarvoor onvoldoende concreet. Verder oordeelt het hof dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. X BV heeft duidelijk aangegeven te willen worden gehoord en uit haar reactie op de uitnodiging voor een hoorgesprek mocht de heffingsambtenaar niet zonder meer afleiden dat X BV daarvan had afgezien. Ook heeft de heffingsambtenaar art. 8:42 Awb geschonden door gegevens over het waterverbruik niet in het geding te brengen. X BV heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 2500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu het verschil tussen een aanslag op basis van één vervuilingseenheid en drie vervuilingseenheden € 129,20 bedraagt, is het financiële belang namelijk groter dan de in deze zaak geldende bagatelgrens van € 15.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.2
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.42
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 april
Informatiesoort: VN Vandaag