X bezit een gemeubileerde recreatiewoning met een WOZ-waarde van € 286.000 en houdt die in 2024 meer dan 90 dagen beschikbaar terwijl hij buiten de gemeente woont. De gemeente stelt voor 2024 een tarief van 1,25 procent en een maximum van € 3064 vast, nadat in 2023 een tarief van 1 procent en een maximum van € 2941 geldt. In de programmabegroting en het raadsvoorstel motiveert de gemeente de verhoging met een inflatiecorrectie en het voorkomen van vermeende bevoordeling van objecten met lagere WOZ-waarde. Op basis hiervan legt de heffingsambtenaar aan X een aanslag van € 3064 op. In beroep is in geschil of de tariefverhoging voor de forensenbelasting 2024 berust op een toereikende motivering in het licht van het evenredigheidsbeginsel.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de toelichting op de verhoging van het tarief naar 1,25 procent feitelijk geen motivering bevat. De rechtbank stelt vast dat de door de gemeente gegeven vergelijking tussen objecten onder en boven het maximum geen steek houdt en geen inzicht geeft in de belangenafweging voor de categorie forensen die onder het maximum valt. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of de verhoging evenredig is en laat het verhogingsvoorschrift buiten toepassing. De aanslag wordt verminderd tot een berekening naar het tarief van 1 procent met handhaving van het maximum van € 3064. X’ beroep is gegrond.
Wetingang:
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten artikel 26
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 13
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 5 juni
Informatiesoort: VN Vandaag